Onderwijs zoekt zijn plek in de nieuwe arbeidsmarktinfrastructuur
De arbeidsmarkt verandert ingrijpend, en met de komst van regionale werkcentra ontstaat een nieuwe infrastructuur. Maar waar past het onderwijs in dat plaatje? De LLO-Katalysator is met meerdere regio's op zoek naar antwoorden. Tijdens deze workshop delen betrokkenen vanuit verschillende pilots de eerste lessen.
Een belangrijk onderdeel van de nieuwe arbeidsmarktinfrastructuur zijn de werkcentra waaraan in de 35 arbeidsmarktregio's wordt gebouwd: centrale toegangspoorten voor vragen over werk, scholing en loopbaan. Met regionale beraden waarin gemeenten, UWV, SBB, sociale partners en het mbo samenwerken aan een gezamenlijke agenda. En met input vanuit human capital agenda's en economic boards.
Maar hoe kan het onderwijs daar goed op aansluiten? Vanuit die vraag startte de LLO-Katalysator in meerdere regio’s een pilot, vertelt Martine Bal van de LLO-Katalysator. Elke regio verkent een ander vraagstuk, steeds met dezelfde missie: ontdekken wat werkt, waar het schuurt en wat nodig is. “Onderwijs gaat als een satéprikker door alle vraagstukken rondom Leven Lang Ontwikkelen heen,” zegt Bal. “De vraag is: waar moet je zijn, en in welke rol?”
Zuid-Limburg: organiseer eerst jezelf
In Zuid-Limburg participeerde Zuyd Hogeschool nog niet in de arbeidsmarktregio. En dus gebruikte de hogeschool de subsidie vanuit de LLO-Katalysator om de connectie met de arbeidsmarkt te vergroten. Ta'Sangka Jurgens nam namens Zuyd plaats in het managementteam van de arbeidsmarktregio om relaties op te bouwen en voeling te krijgen. “Ik trof daar een structuur aan die van oudsher sterk vanuit het sociaal domein is gevormd: de focus lag op kwetsbare doelgroepen, mensen met afstand tot de arbeidsmarkt, anderstaligen, laaggeletterden. Relevante doelgroepen, maar voor het hoger onderwijs niet de meest voor de hand liggende ingang.”
Jurgens probeerde daarom in het managementteam ook het economisch perspectief en het langetermijnperspectief te belichten. Dat was niet makkelijk. “Maar de aanhouder wint”, lacht ze. “Hoe langer ik het blijf roepen, hoe meer ik gehoord word. We hebben talent nodig om onze arbeidsmarkt gezond te houden, om de regio aantrekkelijk te houden en de innovatiekracht te behouden. Daarvoor hebben we ook kennisinstellingen nodig.”
De les uit Zuid-Limburg is: organiseer eerst jezelf. Zuyd richtte samen met onder meer het ROC en de universiteit een bestuurlijk en tactisch onderwijsoverleg in, om tot een gezamenlijke visie te komen. Jurgens: “Pas als je als onderwijs weet waar je voor staat, kun je je goed positioneren in de arbeidsmarktregio.”
Pas als je als onderwijs weet waar je voor staat, kun je je goed positioneren in de arbeidsmarktregio
Friesland: een gids als linking pin
In Friesland was de samenwerking in de arbeidsmarktregio al verder en richtte de pilot zich op een heel concrete vraag: hoe zorg je dat mensen in de praktijk hun weg vinden naar scholing? Het antwoord: zet iemand vanuit het onderwijs ín het werkcentrum. Inge de Jong is die persoon vanuit Firda, een mbo-opleiding. Als gids in het Werkcentrum Fryslân is zij de linking pin met een netwerk van scholingsadviseurs van bijna alle Friese onderwijsinstellingen. Concreet betekent dat nu al dat ze precies wie ze kan benaderen als er een scholingsvraag is én dat ze daar dan ook razendsnel antwoord op krijgt.
De Jong: “Het klinkt eenvoudig, maar de impact is groot. Voorheen werd er in Friesland maar beperkt scholingsadvies gegeven, ondanks een goed aangesloten netwerk. Dat is nu al anders.”
Steffen Pilkes, ook vanuit Firda betrokken, wijst op het belang van een vaste LLO-werkgroep binnen de eigen organisatie. “Want ook binnen je onderwijsinstelling wil je vraag en aanbod bij elkaar brengen. Dit hoeft niets te kosten, het gaat puur om het organiseren van een intern netwerk rondom LLO.”
Noord-Holland: subsidie-ecologie in plaats van ecosysteem
In Noord-Holland Noord deed Gertjan de Jong onderzoek naar het bestaande LLO-landschap: welke publiek-private samenwerkingen zijn er, of partijen elkaar kennen, en hoe de verschillende initiatieven samenwerken? De bevindingen zijn ontnuchterend. “Het gaat meer over een subsidie-ecologie dan over een ecosysteem,” concludeert De Jong. Veel initiatieven zijn subsidiegestuurd: er is een potje, er start een project, en als de subsidie stopt, stopt vaak ook de aandacht en de energie. Daarnaast is het begrip LLO primair verankerd in het onderwijs, terwijl het mkb nauwelijks wordt bereikt. Er is te weinig collectief eigenaarschap, er bestaat spanning tussen beleidsambities en de uitvoeringsrealiteit, en de vraagzijde is ondervertegenwoordigd. Het no-wrong-door-principe klinkt mooi, maar in hoeverre landt dat in de praktijk?
Vier lessen voor de toekomst
Dwars door de pilots heen destilleert de LLO-Katalysator al een aantal belangrijke lessen. Martine Bal neemt ons mee. Het begint bij regionale structuur en governance: begrijp het landschap, organiseer eerst jezelf, en werk toe naar een collectief perspectief met gedeeld eigenaarschap. De tweede les gaat over sectorale leerlijnen en flexibilisering van het aanbod: stem als onderwijsinstellingen onderling je portfolio af, want een LLO-vraag trekt zich niets aan van mbo, hbo of wo. Het derde thema gaat over de functionele samenwerking tussen eerste en tweede lijn: het werkcentrum als knooppunt dat doorverwijst, met een netwerk van specialisten eromheen. En tot slot vraagt dit alles om organisatie-overstijgende rollen en professionalisering: nieuwe posities zijn onwennig, kosten tijd die niet altijd bekostigd wordt, maar bieden verrassende inzichten.
De pilots leveren concrete handvatten op waar andere regio's mee aan de slag kunnen. Maar er liggen ook vragen op tafel voor beleidsmakers, benadrukt Bal. Want opschalen en borgen vraagt om impulsgelden, beleidskaders, en duidelijkheid over rollen en taken.
Binnenkort deelt de LLO-Katalysator de uitgebreide uitkomsten van de pilots. Houd daarvoor de website in de gaten.